
Jurisprudentie
BF0981
Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805611/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805611/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) de locatie Achterweg, ter hoogte van het gemeentehuis, aangewezen als locatie voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor papier en kleding.
Uitspraak
200805611/1.
Datum uitspraak: 11 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) de locatie Achterweg, ter hoogte van het gemeentehuis, aangewezen als locatie voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor papier en kleding.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.
Bij brief, na doorzending door de rechtbank ‘s-Gravenhage bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 september 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.B.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 10.23 van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.
Ingevolge artikel 4.9, tweede lid, van de APV Lisse 2006 kunnen burgemeester en wethouders aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel of -voorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.
2.2. [verzoeker] kan zich niet vinden in de aanwijzing van de tegenover zijn woning gelegen locatie Achterweg als locatie voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor papier en kleding. Hij vreest in de eerste plaats voor de verkeersveiligheid in de omgeving van de containers, onder meer omdat nabij de aangewezen locatie een basisschool en een school voor voortgezet onderwijs zijn gelegen, de verkeerssituatie in de directe omgeving van de locatie nu reeds onoverzichtelijk is en de aanwezigheid van de containers er mogelijk toe zal leiden dat verkeer tegen de rijrichting in de Achterweg zal inrijden.
Volgens [verzoeker] zal het plaatsen van de ondergrondse containers bovendien leiden tot toename van het aantal verkeersbewegingen in het centrum van Lisse. Voorts voert hij aan dat de plaatsing van de containers leidt tot het opheffen van twee parkeerplaatsen, die onder meer worden gebruikt door ouders van leerlingen van de nabijgelegen basisschool. Daarnaast betoogt [verzoeker] dat plaatsing van de ondergrondse containers op esthetische bezwaren stuit. Ten slotte vreest hij voor het ontstaan van zwerfafval rond de containers.
2.2.1. Het college heeft de onderhavige locatie vastgesteld overeenkomstig de door hem gehanteerde beleidscriteria, waaronder de loopafstand, de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de fysieke (on)mogelijkheid om containers te plaatsen.
Het college wijst erop dat voor de inzameling van papier en kleding thans nog bovengrondse containers in gebruik zijn, die zich bevinden op het terrein van een nabijgelegen supermarkt. Het college verwacht dat de plaatsing van de ondergrondse inzamelvoorziening aan de Achterweg, ter vervanging van deze bovengrondse containers, niet zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ook acht het college het, mede gezien de ervaringen met de nabijgelegen bovengrondse containers, niet waarschijnlijk dat gebruikers van de ondergrondse inzamelvoorziening de Achterweg tegen de rijrichting in zullen inrijden.
De verkeersveiligheid rond de nabijgelegen scholen is volgens het college een punt van zorg. Volgens het college is het verkeer vanuit de Achterweg in dat verband echter van beperkte betekenis. Het college stelt voorts dat maatregelen zijn getroffen ten behoeve van de verkeersveiligheid, zoals een vluchtheuvel, apart gelegen fietspaden en verkeersregelaars voor overstekende schoolkinderen.
Het college stelt verder dat de twee parkeerplaatsen die vanwege de plaatsing van de ondergrondse containers worden opgeheven, voornamelijk worden gebruikt door ambtenaren van de gemeente en dat op korte afstand daarvan, namelijk aan de voorzijde en ten noorden van het gemeentehuis, voldoende parkeergelegenheid overblijft.
In een rapport van de Algemene Dienst en Reiniging van de gemeente Lisse van 18 juni 2008 dat door het college mede ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, is vermeld dat de ondergrondse containers aan de Achterweg goed inpasbaar zijn in het straatbeeld. Daarbij is tevens een vergelijking gemaakt met alternatieve locaties die het college in aanmerking heeft genomen. Het college betoogt voorts dat ondergrondse containers uit esthetisch oogpunt wenselijker zijn dan de bovengrondse containers die thans nog op korte afstand van de locatie Achterweg aanwezig zijn.
2.2.2. Gelet op hetgeen het college hierover ter zitting naar voren heeft gebracht, acht de voorzitter het aannemelijk dat niet hoeft te worden gevreesd voor het tegen de rijrichting in inrijden van de Achterweg door personen die van de inzamelvoorziening gebruik willen maken. Nu de inzamelvoorziening de bovengrondse containers vervangt die zich bevinden op het terrein van een supermarkt die eveneens via de Achterweg bereikbaar is, acht de voorzitter het niet aannemelijk dat het plaatsen van de ondergrondse containers zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op de Achterweg.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat de locatie voor de inzamelvoorziening niet direct bij het kruispunt met de Lindenlaan is gelegen en dat de nabijgelegen basisschool zich aan de overzijde van die weg bevindt. Gelet hierop en gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzitter het vooralsnog niet aannemelijk dat de verkeersveiligheid in de directe omgeving van de locatie door de plaatsing van de ondergrondse containers zodanig verslechtert, dat gelet hierop moet worden geoordeeld dat het college deze locatie in redelijkheid niet heeft kunnen aanwijzen.
Ten aanzien van de parkeerplaatsen overweegt de voorzitter dat ter zitting onweersproken is gesteld dat deze parkeerplaatsen (vrijwel) uitsluitend door ambtenaren van de gemeente worden gebruikt en dat in de directe omgeving voldoende andere parkeergelegenheid beschikbaar is.
Het ontstaan van zwerfafval rond de containers betreft primair een handhavingskwestie. Overigens heeft het college ter zitting gesteld dat een gemeentelijk opsporingsambtenaar is aangesteld die zal toezien op het juiste gebruik van de inzamelvoorziening en het tegengaan van zwerfafval.
Voorts is de voorzitter, mede gezien hetgeen het college ter zitting naar voren heeft gebracht, van oordeel dat [verzoeker] vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college vanwege de door hem aangevoerde esthetische bezwaren niet heeft kunnen besluiten tot aanwijzing van de locatie.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter voorshands geen grond voor het oordeel dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot aanwijzing van de Achterweg, ter hoogte van het gemeentehuis, als locatie voor een ondergrondse inzamelvoorziening voor papier en kleding.
2.3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Teuben
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008
483.